Ontroering
Ja, ja, ja, ja, ja: ik mocht afgelopen zaterdag mee op de Beit Ha’Chidush boot naar de Canal Pride tijdens de Gay Pride. BHC is de progressieve joodse gemeente in de Amsterdamse Uijlenburgersynagoge, waar ik lid ben. En het was geweldig!
Ik had eerdere edities van de Gay Pride natuurlijk al wel meegemaakt, maar vanaf de kant, als toeschouwer. Waarbij ik me herinner dat ik twee jaar geleden met mijn ouders min of meer toevallig aan de Amstel stond, en de schepen voorbij zag gaan. Het was wat later op de middag, en lang niet zo druk meer. We wandelden toen vanaf Carré naar de sluis tussen de St. Antoniesbreestraat en Jodenbreestraat, en zagen daar de laatste deelnemers langskomen. Veel bezoekers waren toen al weg, dus ik dacht dat het met de publieke belangstelling voor de Canal Pride wel mee viel. Dat het geintje er, na twaalf edities of zoiets, zo langzamerhand af was. Hoevaak kan je naar een boot kijken met dansende leernichten in hotpants, als je niet op nichten in zwartlederen hotpants valt? En: zij ook niet op jou?
Dat was een grote misrekening, bleek eergisteren. Als ik chocola probeer te maken van wat er allemaal is gebeurd en hoe ik het heb ervaren, denk ik dat vooral de reacties van al die honderdduizenden mensen me zo hebben verrast en ontroerd. Om bij het begin te beginnen: er voeren tachtig (80!) schepen en duwbakken mee, en die begonnen te varen om een uur of twee in de middag. Al die boten moesten eerder op de dag worden opgetuigd. Dat gebeurde op allerlei plekken aan de randen van het IJ. In het haventje bij het Muziekgebouw, aan de Oostelijke en Westelijke eilanden, en ook in Noord. Dat geknutsel achter de schermen vind ik sowieso al fascinerend, dus alleen daarom al was de hele dag al feestelijk. Wij lagen met onze Beit Ha’Chidush boot in de havenarm bij het Kraanspoor gebouw, ten westen van het NDSM-terrein. Daar lag ook het megaschip van de gemeente Amsterdam, en een boot van het COC, en verderop nog weer andere boten, zoals die van de NS. Iedereen was daar bezig met de laatste afwerking en de laatste ballonnen en dat soort dingen, en alle dj’s testten hun geluidsinstallatie. Vergeleken met sommige enorme gevaarten was ons scheepje een fragiel, witgekleurd bakje, in extra-small uitvoering, met een uiterst bescheiden aankleding. Witte kunststof randen met de tekst Beit Ha’Chidush en Shalom, en een Davidster van blauwe ballonnen op het voordek. De drie organisatoren Jelle, Chris en Barbara hadden ook borden gemaakt, die we op konden houden, met roze Davidsterren en teksten als Double Blessed.
Het was overigens rotweer, met nare, koude buien die snel hun water lieten vallen, vertrokken en een half uur later terugkeerden. Dat wisten wij toen nog niet, dus we dachten dat de regen in de loop van de dag wel zou overwaaien. Wij gingen met onze groep aan boord en voeren naar de brug over de Van Diemenstraat en de Houtmankade. En zo verder via de Zoutkeetsgracht naar het Westerdok. Ik vind in een bootje door het Amsterdamse water varen nog altijd erg leuk en interessant, omdat je op een ander niveau langs de huizen komt en zo andere dingen waarneemt, en ook bewoners op hun balkons kan zien zitten die zich onbespied wanen, dus mijn dag kon sowieso al niet meer stuk. Als ik toen had moeten afstappen, had ik het ook al leuk gevonden, en volgens mij gold dat voor iedereen. Ook om andere redenen hoefde niemand medelijden met ons te hebben, want er waren bagels aan boord, bier en fris en wijn, marsen en chips. En we hadden plastic regenponcho’s gekregen van ons meevarende en meeorganiserende bestuurslid Barbara. Een gezegende brainwave.
Bij het Westerdok stonden vroeger loodsen. Er groeide hoog gras tussen prehistorische spoorstaven en er lage oude Rijnaken. Tegenwoordig staat er hoge nieuwbouw, met uitzicht op het water van het Westerdok. Die huizen zien er aan de Westerdokskant overigens bewoonbaarder uit dan aan de deprimerende noordkant, maar dit terzijde. Overal stonden de ramen en balkondeuren open. Achter een van de open ramen, op een van de hogere verdiepingen, stond een oudere heer over het water uit te kijken. Toen hij ons zag, begon hij enthousiast naar ons te zwaaien. Ik zwaaide terug, en zo bleven we met elkaar bezig, naar elkaar zwaaiend. Was het iets persoonlijks? Had deze meneer onze ballonnen Davidster gezien, en onze andere borden met roze Davidsterren erop? En ons bord met Shalom? Of het bord met 2x Mazzel? Of zag hij een scheepje en vond hij dat gewoon gezellig?
Ik weet het niet, maar ik weet wel dat ik me vanaf dat moment volstrekt geen zorgen meer maakte over hoe de rest van de middag zou verlopen. We hadden positieve energie losgemaakt bij één kijker. Die man misschien wel heel blij gemaakt. Dus was de missie al geslaagd.
Bij het Westerdok, weet ik nu, wordt de stoet geformeerd. Elke boot heeft een plek in de parade, en op volgorde mag men de Korte Prinsengracht in, en, van daar, door het sluisje bij de Haarlemmerdijk, verder de Prinsengracht op. Er waren 80 boten, en wij waren nummer 9, dus redelijk aan het begin. Desondanks duurde het behoorlijk lang voor we mochten uitvaren, en op enig moment dobberden we een klein kwartier onder de brug bij de Haarlemmer Houttuinen. Daar wordt vanuit twee vaarwegen ‘geritst’. Onder deze brug werd de sfeer in de boot zelf steeds ontspannener, omdat de opgebouwde stress en schaamte (Gaat dit lukken? Wat doen we hier eigenlijk als intellectuelen/joden/verlegen niet-danstypes/ouwe knarren temidden van deze mooie lijven?) wegvloeide. Wat er ook aan de hand was – kou, nattigheid, drie door de regen aangetaste luidsprekers, gezanik over de muziek, iemand die toch een Israëlische regenboogvlag wilde laten zien, terwijl we tevoren hadden afgesproken niet met Israëlische vlaggen in de weer te gaan – het was nu te laat om nog iets aan onszelf of de omstandigheden te veranderen. De enige manier om warm te blijven was door te bewegen, en dat ging steeds meer vanzelf.
Op het moment dat we konden beginnen en onder de Haarlemmerhouttuinenbrug doorkwamen, gebeurde er iets magisch. De hele Korte Prinsengracht was één mensenmassa. Ik had nog nooit zoveel mensen bij elkaar gezien op die plek, en ze keken allemaal naar ons, en juichten en klapten en staken hun duimen omhoog. Vanaf dat moment was het een groot hopsfestijn, en heeft iedereen op zijn eigen manier gecommuniceerd met de wallekant. Zwaaien, zwaaien, zwaaien, kijken, kijken, kijken, lachen, lachen, lachen. En veel te vroeg was het helaas ook weer afgelopen.
Ja, maar wat is nu je punt?
Er is eigenlijk geen punt, behalve dat het dus mogelijk is om je als joden zeer nadrukkelijk te presenteren voor 380.000 personen, zonder dat er iets anders gebeurt dan dat die 380.000 personen naar je juichen en naar je terug zwaaien. Het nautisch thema aanhoudend: als er een golf van antisemitisme door Nederland zou waaien – waar ik weinig van geloof - dan was die afgelopen zaterdag dus niet in Amsterdam aanwezig. Integendeel. Er kwam een golf van enthousiasme en warmte van die bruggen, wallekanten en dobberende bootjes naar ons toe. Enthousiasme voor de Jidden van Beit Ha’Chidush die homo zijn, of niet, en wat doet het ertoe, en die een statement maakten over hun jodendom. Vergeleken met sommige andere schepen, waar de meest beeldige dansers en danseressen in de meest adembenemende Diana Ross-jurken synchroon stonden te bewegen, waren we natuurlijk sjlemielen. (Hoewel wij, mind you, heel mooie jongens en meisjes aan boord hadden.) Maar hoe geil wij er al dan niet uitzagen deed er helemaal niet toe.
Ik heb zoals gezegd nooit eerder meegevaren, en kan niet op twee plekken tegelijk zijn, dus ik kan niet beoordelen of het gejuich en geklap specifiek voor óns bestemd was. Of zou men enthousiast zijn over alle opvarenden van alle boten? Grotendeels wel, neem ik aan, zoals je voor de mooi versierde praalwagens van een bloemencorso ook klapt. Of in Valencia, waar ik wel eens geweest ben, voor de mooie Fallas-beelden van papier-maché. Iedereen die aan zo’n show meedoet beloon je, zonder aansziens des persoon.
Ik ben geneigd te denken dat sommigen klapten voor alles wat maar door de gracht en over de Amstel werd voortgeduwd, maar dat er bij andere mensen op de kaden sprake was van een ontroering om onze Jiddenschuit te zien; deze hopsende joden die er vooral zo gelúkkig uitzagen. Niet die bekende associaties met ellende en verdriet, maar dansen en springen. In het wit geklede joden met roze keppeltjes, (ik dan toevallig niet en nog een paar vrouwen niet), die niet kwamen om zich over het onbegrip van anderen te beklagen, maar om zich als gelijkwaardig en gelukkig te presenteren.
Er was welgeteld één rare reactie, van een jongen in een bootje dat op de hoek van de Prinsengracht en de Leidsegracht lag. Hij zag ons en maakte een gebaar alsof hij een granaat naar ons gooide, die ontplofte. Ik zwaaide hem vrolijk toe. (Achteraf gezien had ik de gemimede granaat natuurlijk moeten vangen en terug gooien, maar dat is treppenchochme.) Tevoren hadden we afgesproken dat, wanneer er iets zou gebeuren, we dat zouden rapporteren aan de beveiliger aan boord, een oud-politieman die met ons meevoer op verzoek van de Canal Pride organisatie. Maar er gebeurde niets. Behalve dat we allemaal glimmende kettingen toegeworpen kregen, en lollies en spekkies.
Shiny Happy People Laughing, zingt R.E.M. Ik heb dat gevoel van shiny en happy zijn terwijl ik door anderen werd bekeken nooit zo kunnen oproepen. Maar zaterdag kwam het heel dicht in de buurt.
Misschien volgt er later deze week een tweede post over de reacties op de boot; hoe er over geschreven is, en hoe de subsidiegevers hebben gereageerd als ze dat gaan doen. Van die ding
en.

Yeah!! Nu zag ik jou wel, op de bijgevoegde foto. Ik heb er bijna (bijna!) spijt van dat ik niet meevoer. Je hebt volkomen gelijk: ik denk dat Beth Hachidoesj de joodse gemeenschap een gigantische mitswe heeft gedaan met deze presentatie van vrolijke, onbekommerde joden, al dan niet ho of lesbo. En inderdaad: kennelijk zijn alle antisemieten thuisgebleven… of hebben wij gelijk en valt het wel mee? Al is elk antisemitsch (of anti-homo, anti-moslim, anti-welke-minderheid-dan-ook incident er een te veel. Kandigol rules!